Nederland in Zulawy

In de 16de eeuw werd Nederland verwoest door jaren van voortdurende oorlogen met Spanje, met de daaruit voortvloeiende economische crises. Toen had het groeiende protestantisme veel te lijden van vervolgingen door de katholieke Habsburgers. Veel Nederlanders besloten daarom hun vaderland te verlaten en hun geluk te zoeken in het verre Polen. Dat was in die tijd een land met een grote religieuze tolerantie, en de eigenaren van de door overstromingen geteisterde gebieden van het laagland langs de mondingen van de rivier de Vistula (Weissel) genaamd Zulawy, wachtten met open armen op hen.

De reden daartoe was dat die Nederlandse immigranten – bijgenaamd Olendrzy of ook wel Olędrzy (de Poolse naam voor een Nederlander is Holender, in het meervoud – Holendrzy) – in de loop der jaren geleerd hadden hun eigen waterproblemen op te lossen en daarbij ook ontdekt hadden hoe uiterwaarden te ontwikkelen. De situatie was dus gunstig voor beide partijen. In de lage landen van Zulawy vonden die immigranten uit Nederland een tweede vaderland en, bovenal – de vrijheid om hun eigen religie te beoefenen. Door de naam van de religieuze leider, de doperse Menno Simons (1496-1561) – zie de afbeelding, staan ze nu bekend als de Mennonieten. Aan de andere kant waren de lokale landeigenaren en de autoriteiten van Gdansk zeer geïnteresseerd in het in cultuur brengen van de vruchtbare grond. Dit in het bijzonder omdat er in West-Europa een grote vraag naar Pools graan was. Deze gebieden waren, na de twee grote overstromingen van 1540 en 1543, al heel dunbevolkte en na een Pools-Teutoonse oorlog vrijwel geheel ontvolkt. Degenen die bleven waren niet in staat met het water om te gaan.

 WELKOM IN POLEN

De eerste Nederlandse kolonisten arriveerden op het huidige Poolse grondgebied (toen het nog Pruisisch was) bijna driehonderd jaar vóór de Mennonieten. Ze waren daar uitgenodigd, door de ridders van de Duitse Orde (die deze tijd gebieden langs de Oostzee op de Baltische stammen [Baltische Pruisen] veroverden), om de moerassen droog te leggen. Die eerste Nederlanders stichtten, in de 13de eeuw de stad Paslek, die toen nog  Holland heette en in de jaren 1701-1945 Pruisisch Holland heette.

Doopsgezinde trekroute 

De tweede golf van de Nederlandse immigratie kwam in de 16de eeuw, nadat Nederland de economische schade en de hevige vervolging van de protestanten doorstaan had. Dit keer was het gebied dat door hen gekoloniseerd werd „Koninklijk Pruisen”: de landen van het huidige Zulawy (Zulawy Gdanskie, Zulawy Malborskie en Zulawy Elblaskie) die in 1466 Pools werden. Ze vestigden zich ook in Kujawy, Mazovië en in Wielkopolska (Groot Polen). Sporen van deze intocht zijn nog steeds zichtbaar in de inrichting van de landelijke en de stedelijke ruimte (het genoemde Paslek) en in de namen van dorpen en van steden (Holendry, Olendry etc.). Geschat wordt dat op het hoogtepunt van de nederzettingen (tweede helft van de 17de eeuw) de Mennonieten ongeveer 38.000 hectare land in eigendom hadden, terwijl hun omvang zo’n 13.000 mensen bedroeg (dat was 1/6 deel van de gehele bevolking van Zulawy).

Ondanks de scheiding van hun vaderland, onderhielden de Poolse doopsgezinden wel nauwe contacten met Nederland, zoals blijkt uit het zogenaamde memorandum van Toens wiens geschriften over de banden tussen Haarlem en Gdansk (toen Danswijk) Gdansk gaan. Levensomstandigheden in de Poolse landen waren draaglijk. Dat verslechterde echter aanzienlijk na de eerste verdeling van Polen (1772), toen de gebieden die door hen werden bewoond, werden ingenomen door Pruisen.

Afbeeldingmemorandum van Toens.

GASTHEREN VAN ZULAWY

In veel opzichten verschilden de „olenderski” bevolking, op een positieve manier, sterk van de Polen die er zich ook vestigden. In de eerste plaats waren het boeren, afkomstig uit Friesland en Holland, vrije mannen. Ze namen de grond in bezit volgens het gebruik van eeuwigdurende pacht. Ze konden het land overdragen aan hun erfgenamen dan wel op elk gewenst moment de boerderij verkopen en dan het onroerend goed verlaten. Het belangrijkste kenmerk was de collectieve, dus gezamenlijke en hoofdelijke aan-sprakelijkheid van de hele gemeenschap tegenover landheer en de gemeente. Daarom werden, wat later ook boeren uit andere landen met dezelfde rechten als „olenderski” aangeduid.

In vergelijking met Poolse boeren vertegenwoordigden de Nederlandse kolonisten een veel hoger niveau van beschaving, waardoor ze zich superieur voelden ten opzichte van de Polen. Maar hun bijdrage aan de ontwikkeling van Zulawy was dan ook zeer groot. Zo speelden de doopsgezinden een belangrijke rol in de wederopbouw, de uitbreiding en de werking van het ontwaterings-systeem. Zij hebben grote delen van de delta omgezet in vruchtbare velden en om dit te doen moesten ze honderden kilometers kanalen graven, bruggen bouwen, dammen slaan en windmolens oprichten om de waterbeheersing te verzorgen. Ze hebben ook de wilgen geplant die levende pompen zijn. Zulawy dankt haar karakteristieke landschap, zo vertrouwd voor elke bezoeker uit Nederland, grotendeels aan hen.

                                   Tiegenhof (Nowy Dwór Gdański) 1835
                                                Tiegenhof, windmolen

De nieuwkomers uit Nederland waren niet alleen goede boeren, maar ook verdienstelijk op veel andere gebieden. Dankzij de zogenaamde „jacobsladder”, gebouwd in het begin van de 17de eeuw door Adam Wiebe (emmers met het te vervoeren materiaal glijdend aan een touw), werden de vestingwerken van Gdansk, die later de stad uitstekend verdedigde tegen de Zweedse invasie, gebouwd. Doopsgezinden waren ook goed in de handel (ze importeerden zijde, fluweel, kant en huisraad) en in de productie van alcohol. In de jaren 1776-1945 had de doopsgezinde familie Stobbe in het Nowy Dwor Gdanski (voorheen Tiegenhof)  een distilleerderij in bedrijf, die het beroemde gin Stobbes Machandel brouwde. De laatste eigenaar van de distilleerderij, Bernhard Stobbe, werd in 1945 gearresteerd en naar de Oeral gebracht. Zijn bedrijf werd geliqui-deerd. Gelukkig is het recept van de jenever behouden. Maar vandaag de dag wordt het geproduceerd door het Duitse bedrijf Marken Horst in Osnabrück. Er is een speciaal ritueel bij het drinken van Machandel: men drinkt het uit een speciaal glas, met een pruim (of een kers) op een tandenstoker erin. Als de alcohol opgedronken is moet de pruim gegeten worden en de tandenstoker gebroken in het glas achter blijven). Een gebouw van de distilleerderij bestaat nog steeds, maar is veranderd in een café.

 De Machandel distilleerderij, Tiegenhof

Gdansk was ook beroemd om het Goudwater likeur waarvan het recept (een unieke samenstelling van meer dan twintig kruiden en specerijen gemengd met vlokjes van zuiver bladgoud) is. Het werd uitgevonden door de Nederlander Ambrose Vermollen (Vermeulen) in de 16de eeuw. Na het verkrijgen van het burgerschap van Gdansk, in 1598, stichtte hij een alcoholdestilleerderij „Der Lachs” (De Zalm), die sterke drank produceerde. Die drank werd zo hoog gewaardeerd, dat ze zelfs is vermeld in het beroemde Poolse gedicht „Pan Tadeusz” van Adam Mickiewicz. Op dit moment wordt het nog slechts gepro-duceerd in Duitsland, maar de distilleerderij wordt her-dacht door een restaurant met de naam „Pod łososiem” (Onder de Zalm), gelegen in hetzelfde pand (Gdansk, in de Szeroka straat). Afbeelding: „Machandel” en „Goudwater”.

 Proeflokaal „Der Lachs”

Hun bedrijvigheid en spaarzaamheid – die zo typisch protestantse deugden – maakten de Mennonieten van Zulawy in de 19de eeuw tot rijke mensen.

 ONZE MENSEN

De Mennonieten integreerden niet in de rest van de inwoners van Zulawy, ze woonden in hun dorpen onder de regels die hun opgelegd werden door hun godsdienst Ze er-kenden geen kerkelijke hiërarchie en kozen de geestelijke leiders uit hun eigen midden. Eerst als volwassenen werden ze gedoopt (tot deel van de wederdopers). In hun kerken was er geen altaar, maar wel een preekstoel. Ze droegen geen wapens en weigerden in het leger te dienen. Hun dagelijks leven was vergelijkbaar met dat van de Amerikaanse Amish. Het was eenvoudig en ruw, geheel in lijn met de deugden van bescheidenheid en soberheid.
                                                         Mennonieten.        

Hun vrouwen waren blijkbaar niet erg aantrekkelijk, ze droegen donkere kleding hoog dicht geknoopt (dit betekent echter niet dat vrouwen zichzelf niet versierden met kleine ornamenten) en hielden zich bezig met een rijke kinderschaar en het huishou-den. Hun grootste plezier was heel goed eten, zoals met varkensvlees, melk en boter. Elk vermaak, zelfs zo onschuldig als het spelen op de viool, was verboden. Gokken en alcoholmisbruik werden fors afgestraft. Dit betekent niet dat er helemaal geen alcohol gedronken werd.

Tentoonstelling: “De Poolse polder (weckpotten). Uit de geschiedenis van de Mennonieten”,  Zulawski Historic Park, Nowy Dwor Gdański.

In het begin spraken de Nederlandse kolonisten en hun nakomelingen slechts een Middel-Nederlands  dialect (plat, diets), maar die taal werd geleidelijk vervangen door het zeer verwante plat duits. Dit proces werd versterkt toen Zulawy door de Pruisen werd opgenomen in 1772, na de 1ste Poolse deling. He-laas hebben ze vrijwel geheel geen literatuur achtergelaten zodat de gebouwen de enige overblijfselen van hun cultuur zijn. Hierbij zijn de beroemde huizen met arcaden, hun kerken en kapellen, de molens, de begraafplaatsen en de kenmerkende ruimtelijke inrichting van dorpen en de steden. De foto: de voormalige kapel van de familie Scheweke uit de16de eeuw.

Een typisch Nederlands huis werd gebouwd op een kunstmatige heuvel, de terp, dat was om het te beschermen bij overstromingen.

                                                           De terp.

Het gebouw werd verbonden met de schuur en de stal. Aan het einde van de 18de eeuw werd een nieuw soort huis kenmerkend voor dit gebied, maar dat is oorspronkelijk geen ontwerp van de Mennonieten. Die indrukwekkende gebouwen hadden arcades, een uitstekende vloer ondersteund door pijlers (hun aantal duidde de rijkdom van de bewoner). Het houten vakwerk was decoratief opgevuld met bakstenen, en in de dwarsbalk in het front werd de naam van de eigenaar, het bouwjaar en het huismerk van de familie, het zogenaamde gemerk gegraveerd. De arcades dienden aanvankelijk als graanschuren – om de mais of de bloem tegen het water te beschermen (de zakken daarmee gevuld lagen op de vloer). Ze werden opgehesen door een luik in de vloer.

Trutnowy, arcade huis van 1720

De talrijke doopsgezinde begraafplaatsen verschillen heel sterk van de Poolse begraaf-plaatsen. Door de stenen zerken lijken ze wel een beetje op joodse begraafplaatsen.

Begraafplaats in Markusy / foto Tomasz Pluciński.

Het merendeel van de monumenten stamt uit de 19de eeuw, maar de meeste arcaden huizen dateren uit de late 18de eeuw. Veel ervan zijn nu ruïnes, maar gelukkig zijn de lokale autoriteiten in de afgelopen jaren een programma „tot redding van de historische monumenten” begonnen, waarbij een betrekkelijk groot aantal post-mennonietische gebouwen zijn gerenoveerd. Helaas was dat vaak veel te laat. (Sommige nu niet meer bestaande gebouwen werden nog op het laatste moment gefotogra-feerd door Marek Opitz, die ze gepresenteerd heeft in zijn album „Zulawy – een tijd van doorbraak”). Afbeelding: Grafsteen, Marynowy / foto Tomasz Pluciński.

Vermeldenswaard is ook het initiatief een etnografisch park voor de doopsgezinde cultuur in Wielka Nieszawka (rond Toruń) op te richten, waar elementen uit de begraafplaatsen, sommige kerken en woningen zullen worden bijeen gebracht uit andere delen van het land. Andere plaatsen die de moeite van een bezoek waard zijn, zijn beschreven in een afzonderlijk artikel Voetsporen der Dopersen.

In aanvulling op de eeuwenoude monumenten toont Zulawy, ook het karakteristieke Nederlandse landschap, met zijn kanalen, dijken, kades, molens en de wilgen. Zeer Nederlandse gebieden zijn gelegen ten westen van het meer Druzno, in het zogenaamde Klein Zulawy van Malbork. De wegen hier leiden naar dijken en de kanalen en rivieren liggen duidelijk hoger dan het veld ernaast. Alleen hun makers zal men hier niet meer aantreffen…

Żuławy Gdańskie, rond Steblewo / foto Vikimedia Commons

EXODUS

De situatie van de Poolse doopsgezinden veranderden in 1772 dramatisch, toen zij onderdanen werden van de koning van Pruisen. Dat land was in de 18de eeuw zeer militaristisch wat uiterst onverenigbaar is met het pacifisme van de Mennonieten en hun weerzin tegen de krijgsdienst. Wegens dat pacifisme werden ze erg onderdrukt. De Pruisische treiterijen waren de reden dat veel van de Mennonieten in 1786 het voorstel van tsarina Catharina II aanvaardden om zich in Rusland te vestigen. De tsarina garandeerde hen een aantal privileges, waaronder vrijheid van godsdienst en vrijstelling van de militaire dienst. Ze werden gevestigd in het zogenaamde „Nieuwe Rusland” – het land aan de Zwarte Zee kust (dat was veroverd op de Turken) en in de zuidelijke Oekraïne. (De moeder, meisjesnaam Martens, van de grote Poolse zangers Anna German stamt af van die „Russische” mennonieten).

Anna op de foto met haar moeder Irma Berner en haar grootmoeder Martens.

Het ging hen betrekkelijk goed daar, in Rusland, tot het uitbreken van de Oktober-revolutie (1917). In de jaren ’30 werden velen van hen slachtoffers van de grote hongersnood die het gevolg was van de gedwongen collectivisering in de Oekraïne, opgelegd door Joseph Stalin. Deze afschuwelijke gebeurtenis bleef niet zonder invloed op de politieke opvattingen van de Mennonieten uit Zulawy, die – onder de indruk van die genocidale politiek van Stalin en wreedheid van het communisme – bezweken voor de invloed van het Duitse nazisme. De propaganda van het Derde Rijk benutten hen voor de presentatie als „pioniers van de Beneden Rijn in het Oosten”. Wat meer is, Tiegenhof werd in 1942 de vestigingskern voor de Hitlerjugend organisatie. Dit is de reden waarom de Russen hen bij de bevrijding van Polen als Duitsers zagen. Daarom moesten de Mennonieten opnieuw op de vlucht vanwege de vervolging zodat ze Zulawy verlieten. Een deel van hen heeft zich in West-Duitsland gevestigd, een aantal in de Verenigde Staten maar anderen verspreidden zich over de gehele wereld.

 NA JAREN

De lange tijd en de verstrooiing over de hele wereld zijn de redenen dat de doops- gezinde gemeenschap haar identiteit, tradities, gewoonten en religie verloor. Maar de herinnering aan voorouders en aan hun banden met Żuławy overleefden. Daarom komen er veel  nakomelingen van de “Poolse” Mennonieten sinds het einde van de 20ste eeuw hier om de paar jaar weer terug. Ze komen om deel te nemen aan bijeenkomsten van een (nu) internationale groep, om de plaatsen te bezoeken waar hun voorouders leefden en om door middel van tentoonstellingen herinneringen op te halen. In 2007 was het motto: de „Doopsgezinden in Żuławy” en de „Bewaarde erfenis.” Het komt voor dat sommige deelnemers vroegere familieleden op de tentoongestelde foto’s herkennen… Foto: Egon Cornelissen uit Canada.

Renata Głuszek

Lees ook: Voetsporen der Dopersen.

Zie ook Nederland in Polen.

Foto’s:
www.poolsepolder.nl/na_polskich_polderach/menu/menu.html,
http://www.chem.univ.gda.pl/~tomek/zulawy,
Vikimedia Commons, www.danzig-online.pl, http://zph.org.pl,
Renata Głuszek, wiatrak.nl ,